Mijn gevecht

Published on november 18th, 2016

Ik heb het boek bulderend van de lach gelezen om er vervolgens twee dagen lang ongelukkig van te zijn. Mijn gevecht, het relaas van Thomas Dekker, is onthutsend en schokkend en prachtig geschreven. Voor een sportboek, dan hè.

Het verhaal is geschreven in de beste traditie van het nieuwe verdienmodel voor sportboeken, in een lange monoloog zonder tegenspraak. Maar waar het genre doorgaans ontspoort in een hagiografie (Ik, Zlaten bijvoorbeeld, tenenkrommend proza), waakt Zonneveld daar zorgvuldig voor. Hij houdt Dekker kritisch en zelfbewust in zijn monoloog. En Thomas gaat zichzelf niet uit de weg.

Voor wie niets van wielrennen weet: van alle topsporters zijn zij waarschijnlijk het meest verknipt. Ze werpen zich met honderd kilometer per uur van smalle bergwegen af, storten in het ravijn, vegen vervolgens het stof van hun broek, leggen wat afgescheurd vel weer terug op het bot en fietsen verder. Tussen start en finish – een rit van ongeveer 200 kilometer in stromende regen of helse hitte – eten zij elkaars bordje leeg, zitten ze te linkeballen, smeden ze combines, rijden elkaar op de kant en roepen beurtelings om hun moeder. Mooie sport kortom.

Dat het peloton zich tussen de wedstrijden door tegoed doet aan drank en drugs is logisch. Ik zou na een dagje Tour de France met onophoudelijk twee of drie helikpters boven m’n hoofd ook toe zijn aan een borrel. Dat iedereen uit de dopingpot snoept is ook geen nieuws. Dat ze tussen de ritten door kans zien om naar de hoeren te gaan verbaasde me wel, want het lijkt mij dat je met een derde bal en steenpuisten op je kont niet eens aan seks wil denken, maar goed, wellicht denk ik wat kleinzerig.

De renners snap ik. In de macho-mannen-monocultuur van het hardfietsen heeft men een eigen mores. Maar de mensen erom heen. De profiteurs en de zakkenvullers in de vorm van managers, ploegleiders, artsen. Hoe een talent als Thomas Dekker door niemand bij zijn lurven wordt gegrepen, en dat hij, de rappe benen vol met bloedzuigers, het moeras in wordt getrokken, is verschrikkelijk.
Hij betaalt de rekening met een gefnuikte carrière, maar de hele Nederlandse samenleving betaalt mee. We juichen om top tien klasseringen in grote rondes en soms een derde en vierde plaats. Soms mag een edel-knecht als Terpstra een prijs winnen. Maar de echte nummer één is om zeep geholpen door mensen met minder talent maar meer rancune.
Zonneveld is zonneklaar: zijn gevecht is ons gevecht.

Het piepkleine plaatje is een mozaikverkeersbord van Peter Vial – verboden in de Bijlmer, felbegeerd in het centrum.

Reageer

Laat hier een reactie achter