Erg wild kamperen

Published on juli 25th, 2016

Wildkamperen is leuk. Een mooi verstopt plekje vinden en daar bivak maken. De zee als ligbad op loopafstand en onder aan de rots een klaterende bergstroom als douche. Heel wat beter dan op een camping. En, met wat geluk, een dorp met een café in de buurt voor koffie, verse croissantjes en een toilet. Ik had een donkergroen tentje, de politie op Corisca keek dagenlang over me heen.
De wildkampeerders bij ons achter hebben ook een mooi verstopt plekje gevonden, achter de flats in het laatste strookje groen tussen de Bijlmer en Diemen. De felblauwe en gifgroene tentjes stonden er opeens, op pallets die de kampeerders bij de grofvuilstortplaats hadden weggesleept, want het regende nogal en zo hielden ze toch een beetje droge voeten. Nu schijnt de zon en slaan ze de luifels open.
Het dorp in de buurt is ons winkelcentrum, waar ze zich wassen op het toilet van het buurthuis. De kampeerders zijn geen Syrische vluchtelingen die aan het oorlogsgeweld proberen te ontkomen, maar Roma en ze zijn voor alles hier, zo lijkt het, behalve voor vakantievieren. Ze hebben het zichzelf gemakkelijk gemaakt met stoelen die ze ook bij het grofvuil hebben weggehaald. Op de parkeerplaats van het winkelcentrum stopt om de paar dagen een bestelbusje. Dan worden er spullen uitgeladen, van matrassen en dekbedden tot kooktoestellen. Er zit een goede reisorganisatie achter, zoveel is duidelijk.
Erg schoon is hun bivak niet: gebruikt wc-papier slingert in het struikgewas, het stinkt zo erg dat de honden in het uitlaatgebiedje verschrikt weglopen. Het groen ligt bezaaid met afval, plastic flessen, vuilniszakken, etensresten.
Clubjes mensen die Bulgaars en Roemeens spreken liggen languit in het gras bij de kinderboerderij en de kippen en varkentjes kijken wat argwanend naar deze bezoekers die alles zelf opeten.
Niet alleen in de Bijlmer strijken deze bonte reisgezelschappen neer, het is een probleem dat – kennelijk – meerdere buitengewesten van Amsterdam teistert. Met de volle festivalagenda hoeven ook deze gasten zich geen moment te vervelen.
‘Wees maar blij dat ze niet in het trappenhuis zitten’, zei de gebiedsmakelaar en zij kan het weten, want in haar appartementencomplex heeft men een tijdje ongewild onderdak geboden aan een soortgelijk gezelschap en daar waren ze niet blij mee. Wasgoed in het trappenhuis en bedelende kinderen aan de deur. Tja, het kan altijd erger.

‘Hoeveel dagen bent u al hier?’, vroeg de politieman op Corsica en toen ik zei dat ik er al een week was, floot hij even bewonderend en verscheurde terstond de bon. Een wildkampeerder is onzichtbaar, onhoorbaar, onvindbaar. Deze wildkampeerders zijn zeer zichtbaar, heel hoorbaar en buitengewoon goed vindbaar. En ze verscheuren zelf de bon.

Reageer

Laat hier een reactie achter