It giet oan. De strijd om de Afrika Cup is begonnen. De Afrika Cup is het meest spectaculaire voetbaltoernooi van onze tijd. Reguliere voetbalkennis telt hier niet meer, de spelsituaties in het Afrikaanse voetbal zijn compleet anders dan in Europa. Hier regeert het onverwachte, het creatieve, het onvoorspelbare. Het gewelddadige, zeker. Dat ook. Spelers met een verbluffend loopvermogen en ongekende lichaamsbeheersing laten voetbal zien dat wij in Europa alleen als incident kennen.
De openingsceremonie was alweer om van te smullen. Kolonels met hun borst vol onderscheidingstekens knikken goedkeurend terwijl de president in strak gesneden maatpak, het burgeruniform, in de taal van de Spaanse koloniale overheerser het openingswoord spreekt.
‘Dit kampioenschap is goed voor het imago van Afrika’, zegt de regeringsleider met gevoel voor marketing. Afrika, bebloed continent, verscheurd door kunstmatige grenzen die de westerse overheersers hebben bedacht om het werelddeel onderling eerlijk te verdelen. Rechte lijnen dwars door het landschap, coördinaten vastgelegd aan de hand van vierkante kilometers en niet aan de leidraad van natuurlijke grenzen en tradities.
En nu voetballen ze tegen elkaar, die verzonnen landen met namen die we alleen kennen van burgeroorlog en hongersnood. Hoofdschuddend kijken we toe vanuit de huiskamer, naar de beelden in het journaal, hoe die zwartjes elkaar weer eens aan het afslachten zijn. Ik zie zo’n toegetakeld gezicht weleens in de lift. Littekens van het machete tonen altijd anders dan die van een brommerongeluk. In 1953 speelde het Nederlands elftal tegen de ‘verbannen’ profs, de betaalde voetballers uit Nederland die in het buitenland speelden, als benefietwedstrijd voor de waternoodsramp. Zouden de voetballers uit Sudan, Libië, Tunesië nu op hun beurt hun historische matches spelen op dit kampioenschap? Dan hebben ze aan één toernooi niet genoeg.
Terwijl de regeringsleider speecht in ronkende marketingtermen, in de hoop zijn land te verkopen aan het westerse bedrijfsleven, staan de voetballers ongeduldig te wachten in de koude avondlucht en dromen hun eigen droom. Van een slavenbestaan als profvoetballer bij een rijke, Europese club.
En daar zit’m de crux. Want het echte interessante speelt zich af buiten beeld. In Londen, Manchester, Milaan en München tandenknarsen de bestuurders van voetbalclubs en hun bazen, de sponsors. Hun stervoetballers komen steeds vaker uit Afrika en zijn afwezig in januari. Drogba, Demba Ba, Tioté, Gervinho, Touré, Kolo, Assaidi, Boni, El Ahmaid en Kalou – ze verkiezen de eer van hun land boven de eer van hun team: Manchester City, ManUnited, Real Madrid, Arsenal. Die loyaliteit – al dan niet afgdwongen door de machthebbers die soms de complete familie van de vedette gijzelen – is niet zonder gevolgen. De clubs missen hun sterren. De aanvoerders, spelverdelers en spitsen zijn weg. Dat kost geld. De WK en EK zijn qua tijdsplanning afgestemd op de grote Europese competities, de andere landen hebben zich maar te schikken. Maar het vergeten continent wordt meer en meer zichtbaar in de Europese competities. De tendens valt niet meer te stoppen. Nog even en dan is het zo ver: geen winterstop, maar de Afrika Cup-stop.

