Atlantis, de Stad van mijn Hart

Published on oktober 29th, 2010

Ik vond de kano op de plek waar ik hem had achtergelaten en peddelde zo geluidloos mogelijk naar de overkant. Maar de nacht was nog nooit zo donker geweest en het water nog nooit zo zwart. Ik tuurde in het duister en keek of ik de juiste lijn aan het varen was. Ik raakte iets, een tak misschien, ik maakte een onverhoedse beweging en vervolgens zag ik, als in slow motion, mijn rugzakje in het water vallen. Glijden was het meer. Ik probeerde het nog te grijpen en verloor mijn evenwicht. De kano sloeg om en ik plonsde in het water. Ik spartelde wild, in een poging zowel de boot als mijn rugzakje te grijpen. Het mislukte alle twee. Ik koos voor de rugzak, daar zaten mijn huissleutels in. Als het tasje naar de bodem zou zinken, kreeg ik het nooit meer te pakken. Ik dook – voelde niets, dook opnieuw. Ik maakte me zo lang mogelijk om te voelen hoe diep het was, of ik de grond zou kunnen raken. Ik raakte de bodem. Ik ging staan, en zo kon ik mijn hoofd net boven water houden. Op de tast liep ik een paar passen. Waar was die verdomde rugzak? Net toen ik dacht dat ik hem gevonden had, realiseerde ik me iets anders. Ik zakte dieper en dieper weg. De bodem was van drijfzand. Ik probeerde te zwemmen, maar mijn robuuste wandelschoenen zogen zich vast in de blubber en prut en onweerhoudbaar zonk ik weg. Ik werd opgeslurpt. De watermonsters hadden me te pakken. Ik kon geen adem meer halen. Alles was water om me heen. Ik spartelde, maar ik kon mezelf niet meer bevrijden. Sterke handen trokken mij naar de bodem van de kwelpolder. Het water werd van glas. Ik voelde de structuur steviger worden en ik kon mezelf zien bewegen, ik kon lopen.

Het leek net alsof ik in een luchtbel belandde. Ik ontspande me, ik hoefde geen zuurstof meer. In dit vacuüm kon ik leven zonder lucht en zien zonder ogen en horen zonder oren. Ik kon zijn zonder te bestaan. Ik ging een laag dieper en het donkere water kleurde licht, vol met doorschijnende kleuren als een raam van glas in lood. Ik wandelde rond in een wondere sprookjeswereld, in een vijver vol gouden koi karpers met een zeemeermin, een glazen schaal met kreeften, een kwal van porselein. Ik wist niet wat ik zag. Ik kon het niet weten. Het waren droombeelden, maar tegelijkertijd zo realistisch als maar zijn kon. Weer zonk ik een laag verder en ik zweefde te midden van scheepswrakken, van schatkisten uitpuilend van fonkelende juwelen. Laag na laag na laag werd het lichter om me heen en wonnen de kleuren aan kracht en helderheid. Na de vijfde ring wist ik waar ik was.
Ik was in Atlantis, mijn Atlantis – een sprookjesstad onder water, een weerspiegeling van het universum. De plek waar hemel en aarde elkaar omhelzen, waar sterren de zeebodem raken. De Stad van mijn Hart, de Staat van Zijn.
Desoriënterende klanken klonken en leken overal vandaan te komen in een fascinerend geluidslandschap met onbegrijpelijke, raspende tonen. Ik vond het prachtig, het was onderwatermuziek, gemaakt met parelschelpen en zilverzand, maar er klonk ook sterrenstof doorheen en soms huilde een sirene zo hartverscheurend, dat ik stilhield om er beter naar te kunnen luisteren alsof ik wilde delen in haar ontembaar verdriet over een verloren tijd. Ik wilde nooit meer weg. Hier zou ik voor altijd blijven. Ik was bedwelmd door schoonheid.
Ik zag een stad, het was een stad met gouden koepels, blinkend in de stralende zon. En ik stond er middenin. Ik was zelf de stad die ik zag. De stad van mijn hart. Een stad die van binnen groter was dan van buiten. De huizen hadden balkons als maskers, de gevels waren als spiegels en op glazen daken stonden cylindrische zijtorentjes. Uit het plaveisel groeiden zachtgroene lantarens. Een poort zwaaide open, ik liep naar binnen. In één keer stond ik in een immense ruimte, met een plafond van hemelhoge bogen dat was belegd met flonkerende rode, zwarte en groene edelstenen.
Ik spreidde mijn armen uit en juichte. Eindelijk was ik thuis.
Opeens botste iets tegen mijn hoofd aan, en in weerwil van mezelf greep ik het beet, het bood weerstand, ik trok eraan. Het was de kano. Ik kwam bij mijn positieven en trok mezelf met alle kracht die ik nog in me had, aan boord. Mijn hoofd, mijn handen, mijn kleren, alles zat onder de drab. Aan mijn voeten hing een lang spoor van slib en bladeren en takken, een plastic tasje vol water. En de rugzak. Mijn schoenen waren achtergebleven in de zuigende bodem van de polder.

Na de grootste duisternis volgt het helderste licht. Zo was het verhaal van alle mensen. En zo was ook mijn verhaal.

Uit Andermans Ogen

Reageer

Laat hier een reactie achter