The Queen has left Atlantis

Published on oktober 21st, 2010

‘Kom’, zeg je. ‘We moeten eerst even televisie kijken, Oscar is te gast bij Barend en Van Dorp. En als ik het niet kan navertellen, krijg ik op m’n kop.’

We lopen met ons glas in de hand naar de slaapkamer, waar de televisie staat. Het onderwerp is zijn pas verschenen biografie, maar natuurlijk gaat het binnen de kortste keren over Tijgerlelie. Dertig jaar na zijn dood zijn ze nog altijd een onafscheidelijk duo.

‘Ik wilde Charlotte het liefst wegretoucheren’, grapt hij.

‘De zaak is nooit opgelost’, zegt Van Dorp.

‘Het was geen zelfmoord’, zegt Oscar met grote overtuiging. ‘Als Wang Chen zelfmoord had gepleegd, had hij zich prachtig aangekleed en schitterend opgemaakt. Hij had kaarslicht ontstoken en operamuziek aangezet. Absolutely!’

Daar valt geen speld tussen te krijgen. Het is even stil in de studio. Zelfs de sidekick kan tegen deze theorie niets inbrengen. Ik zie je onderdrukt gapen. Het gesprek gaat niet over jou. Want zoals jij geen melding maakt van Oscar in jouw interviews, zo praat Oscar ook niet over jou.

‘Jij bent toch homo?’ vraagt de sidekick op de man af.

‘Ik lust alles’, zegt Oscar.

‘Oh, wat vulgair’, kreun je en zet de televisie uit.

Ik sta op en ga weer aan tafel zitten, op dat bed liggen vind ik maar niks.

‘Deze zomer was er maar één zin in mijn hoofd’, zeg je en schuift je stoel aan. ‘The Queen has left Atlantis. Telkens weer dacht ik daaraan.’

Je laat me het werk zien dat je hebt gemaakt. Het is het beeld van een vrouw op de bodem van de zee. De Koningin van Atlantis, de mysterieuze vrouw met het kleitablet in haar mond.

‘Prachtig’, zeg ik uit de grond van mijn hart. ‘Wil je Atlantis als thema voor je expositie?’

De oudheid, de renaissance en Pompeii, dat is het werkterrein van jou en Bram. Atlantis is ook een verloren rijk, maar Egypte, Jordanië, de Grieken en het Romeinse Rijk waren bestaande rijken. Zichtbaar in ruïnes, tastbaar in grafheuvels. Er bestaan talloos veel foto’s en afbeeldingen van de afgravingen, de voorwerpen, de tempels, de kleding, munten, gezichten, wapenuitrusting. Atlantis zul je zelf moeten verzinnen.

Ik haal diep adem.

‘Atlantis is geen expositie’, vertel ik je. ‘Het is een ritueel. De tekeningen, de beelden en de schilderijen moeten elkaars verhaal vertellen. In hun weerspiegeling vullen ze elkaar aan en ontmaskeren ze zichzelf. De muziek legt de verbinding, steeds opnieuw. Het gaat om trance, extase en stilte, levensgevaarlijke dodelijke stilte. Ik wil dus niet zomaar een thema, ik wil een expositie als een levensfilosofie.’

Je lacht. We zijn weer samen. Dit is waar ik zijn wil. Hier ben ik samen met je. Dat is het spel dat ik spelen wil, het spel van de werkelijkheid. Dat is de stap terug die gemaakt moet worden, terug – op weg naar de bron. En dat kan alleen samen. Dat kunnen alleen twee absolute tegenpolen: één zijn.

‘Iedereen kost mij energie’, zeg jij bij het afscheid. ‘Maar van jou krijg ik het. Na een gesprek met jou voel ik me als herboren.’

Als ik in de donkere nacht naar huis fiets, realiseer ik me dat er altijd iets zal bestaan tussen ons. Al is het maar de herinnering aan het feit dat het niet zo is geworden als we allebei hadden gedacht.’

‘The Queen has left Atlantis, zei Devi. ‘Hij was bang dat jij bij hem wegging.’

‘Ja. Maar dat begreep ik pas de volgende ochtend.’

‘Waarom zeg je me het dan niet?’ vraag ik je door de telefoon.

‘Dat kan ik niet’, beken je.

‘Is het zo moeilijk om van me te houden?’ vraag ik je vol verwondering.

Ik krijg geen antwoord van je, maar het archief geeft wel uitsluitsel. ‘Het fascineert mij om te lijden zonder te klagen. Om ergens last van te hebben en het dan niet te uiten. Dat is geen masochisme, maar narcisme.’

Ik begrijp nu dat het geen paradox is, zoals ik eerst dacht, of een variant op de samoeraitraditie, maar een logisch voortvloeisel van liefde als een vorm van zelfhaat.

En ik? Ik aarzel, ik twijfel. Ik leg de telefoon weg en pak hem weer op en leg ‘m weer weg. Ik doe het niet. Maar ik doe het wel. Ik bel.

‘Ha!’ roep je triomfantelijk.

Alsof jij me zover hebt gekregen, alsof de telefoon jouw afstandsbediening is waarmee je me aan en uit kunt zetten, harder en zachter. Ik ben aan het werk, maar je vraagt me om te komen en ik laat alles uit mijn handen vallen en zit een uur later op een terras met jou. Ik wil niet drinken en ik laat twee bier aanrukken. Ik wil niet meer samenwerken en ik doe je een goed idee aan de hand zodra ik je zie of zelfs maar je stem hoor. Mijn hoofd zit zo vol van beelden en zinnen van jou, jij bent alles en overal. Het is een merkwaardige beklemming. Het lijkt een verslaving, maar dat is het niet. Ik ben verstrikt geraakt in het Ponzischema, realiseer ik me. Het Ponzischema is het piramidespel, waarin schulden worden afgelost met nieuwe leningen, waarin investeringen worden gedaan louter op basis van te verwachten resultaten. Maar het wordt nooit oogsttijd. Zo is het voor mij ook. Ik wil mijn geld terug en in mijn pogingen het te krijgen, moet ik meer investeren. Alleen is het betaalmiddel nu geen geld, maar gaat het om liefde, vriendschap en aandacht. Er is wel een overeenkomst met een verslaving: het probleem vermomt zich in de gedaante van de oplossing.

Reageer

Laat hier een reactie achter